“Heb je kaplaarzen? We zitten vooral in de sloot namelijk”, laat Klaas (38) van tevoren weten.
In de sloot? Terwijl het vriest?
“En draag geen zwart of wit, het liefst groen.”

Oude viskraam

Het is tegen half zeven wanneer iedereen zich verzamelt bij ‘de hut’; een voormalige viskraam die nu dienst doet als opslagruimte/kantine/clubhuis van de gebroeders Evenhuis. De hut staat op het erf van boer Anton. Zijn koeien gluren nieuwsgierig door een opening van de stal. Naast hun geloei is het doodstil rondom de akkers van Assendelft, zo’n 25 kilometer ten noordwesten van Amsterdam. Over de velden ligt een laagje vorst.

Foto's: Sabine Grootendorst

Waar zijn die ganzen?

“Pak jij de lokkers even?” vraagt Klaas aan Sjoerd (34), die een grote zak vol nepganzen vanuit de hut naar zijn bestelwagen draagt. Jager Michiel Schulte, hoofd van de lokale jagersvereniging, wijst op een plattegrondje aan waar de ganzen zich hoogstwaarschijnlijk ophouden. “Hier en hier heb ik ze de afgelopen dagen gezien”, vertelt Michiel. “Echt met honderden tegelijk.” Op basis daarvan wordt bepaald wie waar gaat zitten, op het land van welke boer. “Sjoerd, ga jij dan bij Kremer zitten, hierzo bij de bosrand?” Klaas en Michiel gaan ieder op een andere strategische plek zitten.


"Supermarktvlees smaakt nergens naar" Sjoerd Evenhuis


Hert in de achterbak

Sjoerd, een rustig typ met wie je waarschijnlijk lastig ruzie krijgt, rijdt goedgemutst naar de aangewezen locatie. Hij jaagt al sinds zijn jeugd. Zijn vader nam zijn broer en hem regelmatig mee op jacht. “Twee dingen maken dat ik ermee ben doorgegaan: ik vind jagen leuk en ik vind wild lekker.” Als sous-chef, in onder meer Le Hollandais en Breitner aan de Amstel, werkte hij graag met wild. “En na een weekend jagen reden Klaas en ik vaak naar huis met zwijn en hert in de achterbak. Daar was steeds meer vraag naar. Toen besloten we voor onszelf te beginnen als wildleverancier, zo’n vijf jaar geleden.” In hun productieruimte in Loenersloot verwerkt Sjoerd samen met zijn personeel het wild voor de producten, waaronder worsten. “Eigenlijk eet ik alleen nog maar wild, nooit meer vlees van de supermarkt.” Smaakt nergens naar, vindt hij.

Niet bewegen

Het is niet gelogen, dat van die sloot. Nadat Sjoerd de lokkers verspreid over het veld heeft uitgezet - “je moet een soort landingsbaan voor ze creëren" - trekt hij een waadpak aan en gaat middeldiep in een slootje staan. Voor zich heeft hij een camouflagenet gespannen, als een soort minischutting. De zon komt langzaam op, in de verte klinkt een haan. “Iedereen slaapt nog”, zegt Sjoerd. De kou lijkt hem niets te doen. “Straks zie je de wereld echt ontwaken, dat vind ik altijd mooi.” Een paar instructies: als de ganzen naderen niet bewegen en niet je gezicht laten zien. “Dat schrikt ze af.”

Boem, dood

Verderop klinkt het gesnater van de nijlgans. Kort daarop twee doffe geweerschoten. En nog eens. “Nou, daar gaat het goed”, zegt Sjoerd. Op het moment dat het lijkt dat de ganzen zich bij Sjoerd niet laten zien, vliegt er een vlucht ganzen over. Sjoerd pakt zijn dubbelloopsgeweer en kijkt geconcentreerd omhoog. Hij richt en haalt razendsnel de trekker over. Twee ganzen tuimelen naar beneden en komen met een plof neer op de grond. “Boem, dood. Dat wil je.”

Koffie

Sjoerd trekt zich uit de sloot om de ganzen netjes neer te zeggen op de ‘landingsbaan’. In de anderhalf uur daarna schiet hij nog drie ganzen uit de lucht. Tijd om zijn broer te bellen. “Hoeveel heb jij er? En Michiel? Oh, oké, prima.” Hij hangt op: “Zo. Koffie?”

Het tableau is niet belangrijk

Terug bij de hut wordt het ‘tableau’ gelegd, oftewel: al het wild wordt naast elkaar op de grond geplaatst. Klaas heeft ook vijf ganzen geschoten, Michiel zes. De mannen zijn tevreden. “Al vind ik het ook een mooie dag als ik helemaal geen kans heb gekregen om iets te schieten”, zegt Klaas. “Ik geniet gewoon van het buiten zijn.” Sjoerd beaamt dat: “Het tableau is niet belangrijk, maar het is wel mooi als er een tableau is."